Hilversumsche Molenweegje
/

Een gedenkschrift betreffende de openbare badhuizen in Hilversum sinds 1857

 Click op het ter linkerzijde bovenstaande blokje met 3 horizontale balkjes voor toegang tot de overige tekstsecties.

Via de eerder vermelde tussenhal bereikte men de zwemzaal. Daar was bij de entree een zitgedeelte van enige meters breed voor bezoekers met een hekwerk afgescheiden van het zwemmersgedeelte. Het zwembad had de ongebruikelijke afmetingen van 9 meter bij 18 meter met een diepte van  3 m aan de entreezijde en aan de tegenover gelegen oostzijde een ondiepe aanvangsdiepte van ~ 1m. Aan de ondiepe zijde van het bassin was aan weerszijden een met marmer beklede toegangstrap. In het midden van de ondiepe zijde was een fraai uitgevoerd stenen ornament, waaruit het suppletiewater voor het zwembad via een grote leeuwenkop met open bek werd toegevoerd. Zijdeling van beide toegangstrappen waren twee alternatieve wateraanvoerstortkokers, waarbij het uitstromende water minder geraas maakte dan via de leeuwenkop. Aan de diepe zijde van het bassin bevonden zich in de hoekpunten aan de dameszijde een 3m hoge springplank en aan de herenzijde een 1m lage springplank. Aan beide lange zijden was aan de wand van het bassin een metalen ladder bevestigd, teneinde het zwembassin te kunnen verlaten. Aan beide zijden van het bassin bevonden zich langs het looppad elk 22 individuele, houten omkleedhokjes. Aan de zwembadzijde konden deze worden afgeschermd met behulp van een gordijn. Aan de tegenover gelegen toegangszijde konden de omkleedhokjes met een houten deur met dagslot worden afgesloten. Aan de ondiepe zijde langs de complete oostgevel van de zwemzaal waren 10 separate douchehokjes voorzien, eveneens afsluitbaar met een houten deur met dagslot. Boven de douches bevond zich een stenen entresolvloer met 3 groepsomkleedruimten, geschikt voor  ongeveer 25 personen per omkleedruimte, ook afgeschermd met gordijnen. Deze entresolvloer was aan beide zijkanten via betegelde trappen vanaf het zwembassin bereikbaar. Door de ongebruikelijke afmetingen van het zwembassin waren officiële wedstrijden niet mogelijk.

In de afsluitende oostgevel waren een 5-tal grote en in motief gekleurde glas in lood vensters voorzien, waarvan de bovenrand van de vensterkozijnen de schuine daklijn volgden. Deze fraai gebrandschilderde ramen waren in enkelglas uitgevoerd. De beide langsgevels van de zwemzaal waren voorzien van grote vensterpartijen, waarvan de bovenste helft per venster gekierd open gezet kon worden voor ventilatie. Vanwege de vochtige atmosfeer in de zwemzaal ontstond op het enkelglas maar ook aan het thermisch ongeïsoleerde dakbeschot veel overlast van condensvorming. Het dak van de zwemzaal bestond uit een houten dakbeschot zonder thermische isolatie en afgedekt met bitumeus dakleer. Ook overige raampartijen , zoals in de badafdelingen omvatten gelijksoortig glas in lood vensters , welke thans nog aanwezig zijn. In 1945 was het houten dakbeschot danig door houtrot aangetast. Het metselwerk van het hele gebouw was zonder spouw uitgevoerd. Alle vensters van het gebouw waren met de karakteristieke roedenverdeling in enkelglas uitgevoerd. De elektrische verlichting van de zwemzaal bestond bij de opening uit 6 koolspits booglichtlampen als hoofdverlichting, ondersteund door een algemene gloeilampverlichting.

De machinekamer was op de begane grond gesitueerd onder de doucheruimte aan de oostelijke, ondiepe zijde van de zwemzaal. Bij de opening in 1913 stond in de machinekamer als hoofdelement een stoommachine voor het mechanisch aandrijven van een centrifugaal hoofdwaterpomp en een elektrische gelijkstroom generator voor de stroomvoorziening van de andere pompen, verlichting en de overige elektrische attributen. In 1937 was de eigen gelijkstroom generator reeds vervangen door een wisselspanning sterkstroom aansluiting op het openbare net . De centrifugaal hoofdwaterpomp was bestemd voor het recirculeren en suppleren van het zwembadwater. Op bijgaande foto van de machinekamer zijn te onderscheiden de horizontaal gelegen aan de bovenzijde afgeschermde leren aandrijfriemen ten behoeve van het aandrijven van links de hoofdwaterpomp en rechts de generator. De stoommachine met riemaandrijvingen was in 1937 bij aanvang van de woonperiode van de auteur niet meer aanwezig. Het zwembadwater werd naar de hoofdwaterpomp toegevoerd vanuit een viertal hoger gelegen betonnen open zandfilters. Deze zandfilters bevonden zich onder de tussenhal en onder het bezoekerszitje in de zwemzaal tegen het kopse, diepe gedeelte van het zwembad. Door geregeld stuk voor stuk terugspoelen van de zandbedden werden deze gereinigd. In de machinekamer was verder aanwezig veel leidingwerk, waterverdeelstukken, een ondergrondse spuiwatertank, vele afsluiters, een groot elektrisch verdeel- en schakeltableau, etc. De totale waterinstallatie werd in 1937 eveneens reeds met gemeentelijk leidingwater gevoed. De eigen grondwatervoorziening naast het ketelhuis bleek ernstig defect en werd toen derhalve niet meer gebruikt.

Op de noordoostelijke punt van het gebouw bevond zich een ketelhuis ten behoeve van stoom en de grote hoeveelheid benodigde warm water. In dit ketelhuis lagen 2 vrijstaande kolengestookte Cornwall stoomketels, die beide waren voorzien van een grote kolentrechter en automatische kolentoevoer naar de vuurhaard. Zodoende konden de stoomketels enige tijd zonder direct toezicht functioneren. Nabij deze stoomketels was de benodigde inpandige kolenopslag. Langs de noordgevel van het gebouw tussen de fietsenstalling en het ketelhuis stond ten behoeve van de afvoer van de rookgassen een met klinkersteen rond gemetselde schoorsteen met een hoogte van ~25 m.

Aan de zuidgevel, de Floralaan-zijde van het gebouw, was op het vloerniveau van de machinekamer een wasserij. Deze was in 1937 voorzien van een professionele wasserijinrichting met wasmachine, een centrifuge, een grote stoom verwarmde droogkast en waarschijnlijk een strijkmangel. Deze wasserij werd vooral gebruikt voor het wassen en drogen van de vele gebruikte handdoeken en overig badgoed, die bezoekers bij binnenkomst tegen een kleine vergoeding konden huren. Op het vloerniveau van de machinekamer en wasserij waren rondom en onder het (ondiepe) zwembassin vele ongebruikte, loze ruimten en nissen. Deze ruimten waren niet of zeer spaarzaam verlicht en grotendeels zonder vloerverharding (los zand). Daar waren wel diverse dunne en dikke water- en stoomleidingen gemonteerd. Catacombeachtig met veel spinraggen en daarom niet echt toegankelijk.

De Floralaan is vanaf ~1920 aangelegd en bebouwd op grond, oorspronkelijk toebehorend aan Willem Julius Josephus Jitta (#4). Deze Floralaan is genoemd naar de toenmalige buitenplaats ‘Flora’, welke op dit perceel was gelegen. Deze naam is weer afgeleid van mevrouw Floretta (Flora) Josephus Jitta – Keijser, echtgenote van Willem Julius Josephus Jitta, eigenaar/bewoner van de buitenplaats/zomerverblijf Flora.

Boven de entreevoorzieningen in de voorbouw bevond zich een bovenwoning, bestaande uit een woonverdieping en een zolder. Woonoppervlak 117 m 2. Deze woning was in 1949 vanuit de entreehal via een privétrap bereikbaar. De woonverdieping bestond aan de straatzijde uit het een ongedeelde woonkamer in het midden en aan weerszijden daarvan een slaapkamer. Iedere slaapkamer in die tijd geschikt voor 3 slaapplaatsen. Aan de zijde van de scheidingsmuur met de zwemzaal bevonden zich een grote woonkeuken met een gasaansluiting en nog een derde slaapkamer. In de scheidingsgang tussen voor- en achterzijde van de woning was een toilet. Er was geen badkamer of doucheruimte en ook geen centrale verwarming voorzien. De enige verwarming in de woning bestond uit een kolenkachel in de woonkamer.  Een trap in het trappenhuis voerde naar de zolder, waar een grote warmwatertank was ten behoeve van de opslag van de voorraad warm water. Deze warmwatertank was een vierkante, betonnen tank, die rondom was geïsoleerd met een dikke laag asbestwol en die een groot deel van de aanwezige zolderruimte in beslag nam. De zolder werd voor de rest slechts als beperkte opslagruimte benut. Aan de Badhuislaan zijde van de zolder was een dakkapel. In 1949 is met de verbouwing de zolder afgesloten. 

Op dinsdag, 12 augustus 1913 werd het zwembad met enig feestelijk vertoon voor de eerste keer officieel geopend, hetgeen blijkt uit diverse foto’s, o.a. in de prospectus bij die gelegenheid (#1). Waarschijnlijk vanwege de crisisjaren in de jaren dertig met een aanvang in oktober 1929, werd het zwembad omstreeks 1935 gesloten.